Hoe zorg je dat kennis uit de uitvoeringspraktijk niet versnipperd raakt, maar juist wordt gedeeld en benut? Sinds januari 2026 werkt Marieke Prins als kennisregisseur Bodem en Ondergrond voor Omgevingsdienst NL aan die opgave. Het doel: een landelijk kennisnetwerk voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) waarin kennis daadwerkelijk gaat stromen. “Ik wil mensen aanzetten om hun kennis te delen.”

Foto: Titus Weijschedé
Van programma naar kennisinfrastructuur
Het nieuwe kennisnetwerk komt voort uit het Interbestuurlijk Programma Versterking Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (IBP VTH), dat in september 2024 werd afgerond. Een van de belangrijkste resultaten is het voorstel voor een landelijke kennisinfrastructuur VTH (KIS VTH), nu Kennisnetwerk genoemd.
Het Kennisnetwerk volgt de 26-6-1-systematiek: 26 omgevingsdiensten, georganiseerd in zes landsdelen, verbonden met het landelijke niveau. Sinds 1 januari 2025 werkt Omgevingsdienst NL aan de opbouw van dit netwerk. Vanaf 2026 is het kennisteam bijna compleet met een manager en zeven kennisregisseurs, elk verantwoordelijk voor een inhoudelijk thema, waaronder bodem en ondergrond. Binnen het thema bodem wordt er gewerkt aan het laten stromen van kennis op bijvoorbeeld onderwerpen als Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) en secundaire bouwstoffen, bodemenergie en bodemkwaliteit.
Kenniscyclus
Voor Prins voelt haar rol als regisseur bodem en ondergrond als een logisch vervolg op haar eerdere werk. Binnen het IBP VTH was zij programmamanager van de pijler ‘Kennisinfrastructuur en arbeidsmarkt’. “Onze opdracht was om een visie en voorstel te ontwikkelen op hoe zo’n kennisinfrastructuur voor het VTH-stelsel eruit moet zien.” Toen Omgevingsdienst NL later kennisregisseurs zocht voor het inrichten en uitvoeren van de KIS VTH, kwam zij opnieuw in beeld. “Toen ik werd gevraagd als kennisregisseur bodem en ondergrond was de cirkel rond. In mijn nieuwe rol zorg ik dat kennis die we hebben ontwikkeld ook daadwerkelijk in de praktijk wordt toegepast,” zegt zij. Dat is een continue cyclus: kennis ontwikkelen, kennis delen en kennis toepassen. “Ik zorg ervoor dat deze cyclus blijft draaien, zodat iedereen die behoefte heeft aan kennis erover kan beschikken,” legt ze uit.
Schakelen en verbinden
Voor bodem zijn er al veel netwerken, maar Prins bekijkt kritisch of bestaande kennis optimaal wordt benut en of processen samengevoegd kunnen worden. “Het gaat erom dat we ons niet laten leiden door de waan van de dag, maar structureel bouwen aan een netwerk waarin kennis toegankelijk en bereikbaar is.” Een belangrijke schakel daarin zijn de kennisvertegenwoordigers met wie de kennisregisseur nauw samenwerkt. Per landsdeel heeft de kennisvertegenwoordiger zicht op het regionale kennisnetwerk en onderhoudt contact met de VTH-experts per omgevingsdienst. De VTH-expert is het aanspreekpunt voor een inhoudelijk thema, zoals bodem en ondergrond. De VTH-experts schakelen onderling binnen een omgevingsdienst waar het over thema-overstijgende kennis gaat onder regie van een kennismakelaar. Prins schakelt zelf tot slot met de andere kennisregisseurs waar het over thema-overstijgende kennis gaat. Daarnaast stemt zij af met de basisorganisatie Bodem en Ondergrond van Rijkswaterstaat, waar Ron Nap de landelijke regie voert. “Mijn focus ligt op het VTH-stelsel, maar ik stem af met de regisseur van de basisorganisatie, zodat we goed aansluiten bij de hele beleidscyclus,” licht Prins toe. Zo ontstaan de verbindingen die de ruggengraat vormen van het netwerk.
Signalen vanuit de praktijk
Door deze verbindingen kan Prins signalen uit de uitvoeringspraktijk snel oppikken en terugkoppelen naar het netwerk. “Uitvoeringskennis is cruciaal bij het begrijpen van problemen. We moeten zorgen dat we bij kennisvragen het onderliggende probleem boven tafel krijgen. Door door te vragen kunnen we het bestaande uitvoeringsprobleem op de juiste manier oplossen,” legt Prins uit.
Learning by doing
Over een jaar hoopt Prins dat professionals bij omgevingsdiensten merken dat kennis makkelijker vindbaar is. “Ik hoop dat mensen weten waar ze kennis kunnen ophalen, of dat ze via een kennisvertegenwoordiger op de juiste plek terechtkomen.” Daarnaast wil zij dat rond belangrijke thema’s dan sterke kennisnetwerken zijn ontstaan. “Hoe mooi zou het zijn als er over een jaar bijvoorbeeld een landelijk protocol is voor de toepassing van bepaalde secundaire bouwstoffen en hier optimaal onze uitvoeringskennis is ingebracht.”
Prins benadrukt dat het opbouwen van het Kennisnetwerk een groeiproces is. “Het is learning by doing. Elke stap die we zetten is een stap vooruit.” Haar doel voor het eerste jaar is een stevige structuur neerzetten en laten zien dat die meerwaarde heeft. “Als vragen meteen bij de juiste mensen terechtkomen, weten we dat het werkt. Dat geeft vertrouwen en voorkomt dat we ad hoc blijven werken.” Zo ontstaat stap voor stap een kennisnetwerk waarin kennis niet blijft hangen op één plek, maar daadwerkelijk gaat stromen in de uitvoeringspraktijk.



