Vorig jaar is de Europese Richtlijn Bodemmonitoring en -Veerkracht officieel vastgesteld. Daarmee is voor Nederland de volgende fase gestart: de vertaling naar nationale wetgeving en een uitvoerbare aanpak voor het monitoren, beoordelen en rapporteren van de bodemgezondheid. Die opgave vraagt de komende jaren om nauwe samenwerking tussen Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, bedrijfsleven en kennisinstellingen. Volgens Saskia Onnink, projectleider bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), is dat ook meteen de belangrijkste randvoorwaarde.
“Monitoren, beoordelen en rapporteren: dat is de kern van de richtlijn“, zegt Onnink. “Maar minstens zo belangrijk is samenwerken met en ondersteunen van decentrale overheden en grondeigenaren. Deze richtlijn kan alleen slagen als alle betrokken partijen samen optrekken.”

Foto: Saskia Onnink (eigen foto)
De klok tikt al
Hoewel de eerste rapportage aan de Europese Commissie pas in 2032 hoeft te worden ingediend, is de tijdlijn strak. De richtlijn moet in 2028 zijn omgezet in nationale wetgeving. Om in 2032 te kunnen rapporteren, moeten de benodigde bodemgegevens grotendeels in 2029 en 2030 zijn verzameld en geanalyseerd. Er wordt daarom al volop gewerkt aan de implementatie. Recent is gesproken over de zogenoemde 60%-versie van het wetsvoorstel, waarin onder meer het bodemdistrict, de taakverdeling en juridische randvoorwaarden zoals toegang tot terreinen verder worden uitgewerkt. “De uitdaging is om het uitvoerbaar te houden”, zegt Onnink. “Daarom betrekken we de uitvoeringspraktijk en willen we zo veel mogelijk aansluiten bij de bestaande Omgevingswet.”
Samen ontwerpen met de praktijk
De uitwerking van de richtlijn gebeurt nadrukkelijk samen met decentrale overheden en kennisinstellingen. De afgelopen periode zijn intensieve werksessies over de takenverdeling georganiseerd met provincies, gemeenten, waterschappen en hun koepelorganisaties. Daarnaast waren er werksessies over onder meer de combinatie van bodemtypekaart en landgebruikskaart, die de bodemeenheden gaan definiëren, descriptoren voor bodemgezondheid, en streef- en triggerwaarden als basis voor het monitorings- en beoordelingskader. Zo wordt stap voor stap toegewerkt naar de uitwerking van de wetgeving en de uitvoeringspraktijk. “Het is een omvangrijk traject, maar we bouwen het samen op”, aldus Onnink. “Juist door vroeg samen te werken en na te denken met betrokkenen over de toekomstige praktijk, zien we beter wat straks nodig is.”
Eén bodemdistrict, gedeelde uitvoering
Nederland kiest voor één nationaal bodemdistrict. Daarmee blijft de monitoringsopgave beheersbaar en wordt voorkomen dat het aantal benodigde bodemmonsters sterk oploopt.
Dat betekent niet dat de uitvoering centraliseert. “Een nationaal bodemdistrict betekent niet dat alles op Rijksniveau gebeurt”, benadrukt Onnink. “De provincies hebben juist de gebiedskennis om de bodemgezondheid te beoordelen, samen met gemeenten en waterschappen. De toekomstige bodemgezondheidsbeoordeling gaat per bodemeenheid (combinatie bodemtype met landgebruik), die vaak wel in meer provincies voorkomt. We schatten nu dat we tussen de 50 en 70 bodemeenheden voor heel Nederland zullen krijgen.” Zo ontstaat een landelijk beeld dat tegelijk voldoende ruimte laat voor regionale verschillen.
Wie doet straks wat?
De richtlijn kent ruim twintig overheidstaken. Het Rijk wordt verantwoordelijk voor de landelijke monitoring, de gegevensvoorziening en de rapportage aan Europa. Ook het register van (potentieel) verontreinigde locaties wordt landelijk georganiseerd. Provincies spelen een centrale rol bij de beoordeling van de bodemgezondheid. Gemeenten stellen vast waar gebieden zijn met potentieel voor bodemherstel door ontharding of bodemreconstructie, waarbij ook koppelingen mogelijk zijn met klimaatadaptatie, hitte, waterbeheer en biodiversiteit. Waterschappen brengen daarbij hun kennis in richting gemeenten en provincies over de samenhang met waterbeheer. RIVM en Wageningen Environmental Research (WENR) werken aan het landelijke monitorings- en beoordelingskader. Voor monitoring van bodemafdekking en -verwijdering krijgen de lidstaten Copernicus-satellietdata van de Europese Commissie, die nationaal aangevuld kunnen worden.
Van meten naar duiden
De opgave gaat verder dan alleen meten. De verzamelde gegevens moeten ook worden geïnterpreteerd en in context worden geplaatst. “Het gaat niet alleen om het verzamelen van data”, zegt Onnink. “Je moet die gegevens ook kunnen duiden. Daarvoor heb je wetenschappelijke kennis nodig, maar ook gebiedskennis van decentrale overheden.”
Daarnaast vraagt de inventarisatie van mogelijk verontreinigde locaties nog uitwerking. Nederland beschikt al over veel informatie, maar die moet worden geordend volgens de Europese systematiek. Ook passen aanpak en definities van de richtlijn niet op de huidige praktijk van de Omgevingswet. Hoe de richtlijn precies vorm moet krijgen onder de Omgevingswet wordt een puzzel waaraan in een volgende fase hard wordt gewerkt.
Hoe nu verder?
De komende periode werken IenW, decentrale overheden en kennisinstellingen verder aan het monitorings- en beoordelingskader en het wetsvoorstel. Begin 2027 volgt de openbare consultatie van het wetsvoorstel. Dat is het moment waarop stakeholders en de uitvoeringspraktijk formeel kunnen reageren op de voorgestelde aanpak. “Die consultatie is ook een belangrijke toets”, zegt Onnink. “Of we de uitvoering goed hebben ingericht, er voldoende draagvlak voor het voorstel is en we niets over het hoofd zien.”
Tijdens het SIKB Jaarcongres op 24 september a.s. staat de implementatie van de richtlijn centraal in een deelsessie. Daar wordt ingegaan op de vertaling naar nationale wetgeving, de inrichting van de monitoring en de aansluiting op bestaande instrumenten en werkwijzen. Ook tijdens de Schakeldagen in oktober en november is de richtlijn een belangrijk thema, met aandacht voor de vervolgstappen richting uitvoering en consultatie. “Uiteindelijk gaat het erom dat we het samen werkbaar maken”, zegt Onnink. “Alleen dan kan deze richtlijn echt bijdragen aan een toekomstbestendige bodem in Nederland.”



